Frits Nieuwenburg, “Ons Genoegen” 1972 ~ 1973 te Oostvoorne.

 

Vlnr: Juf de Boer, vergeten, Richard, Juf Versteeg, Maarten, Ik, Jaap of Anton, Simon Koorn, Barry, Kuiper

 

Het leek me een goed idee eens te Google-en op: “Ons Genoegen Oostvoorne”, niet beseffend wat dit allemaal naar boven zou brengen. Ik kwam op een pagina terecht bij www.oostvoorne.org alwaar ik tot mijn grote verbazing behoorlijk wat verhalen terug vond. Zelfs uit de periode waarop ik aanwezig was in dit tehuis. De ervaringen, welke ik allen heb gelezen voor zover zij “Ons Genoegen” betroffen, liepen erg uiteen, maar dat is iets wat ik ter plekke ook al opmerkte en moeilijk thuis kon brengen toen ter tijd. Maar laat ik beginnen bij het begin.

 Ik kwam uit een gezin waarin de spanningen behoorlijk hoog opliepen. Mijn moeder had een bar slecht huwelijk en besloot daar in 1972 (heel dapper voor die tijd) een einde aan te maken. De rechter besloot in zijn “onmetelijke” wijsheid, dat het beter voor het kind zou zijn als deze dit niet van dichtbij zou meemaken, en dus werd mijn moeder sterk beïnvloed door het rechtssysteem om ook deze mening toebedeeld te zijn. Zo werd er voor mij besloten dat ik voor de tijd die de scheiding zou duren, ondergebracht zou worden in een kindertehuis in Oostvoorne.

 Mijn eerste herinnering is dat ik me door God en alleman verlaten voelde toen mijn moeder naar huis vertrok en ik “alleen” achter bleef. Ik was net 9 jaar en begreep werkelijk geen bal van het feit dat ik daar moest achterblijven. Ze zal het ongetwijfeld allemaal hebben uitgelegd, maar dat moet het ene oor in, en het andere oor uit zijn gegaan. Na een dag of 4 huilend in slaap te zijn gevallen, waarbij ik me totaal niet kan herinneren dat ik ook maar 1 keer getroost werd, ging het uiteindelijk ietsjes beter.

 De dagelijkse routine, voor zover ik mij die nu nog na 38 jaar kan herinneren, bestond uit:

Opstaan, in de rij staan om je oppervlakkig te (laten) wassen bij de wasbakken in de gang naast de slaapzaal, met inderdaad koud water, tandenpoetsen, (kan me het gekraste Duralex-glas nog herinneren waarin je tandenborstel stond, en dat DUREX toen al een begrip was ;-), aankleden, bed zeer netjes opmaken en naar de eetzaal om te ontbijten. Daarna werden er allerlei activiteiten ontplooit voor de kinderen, welke meestal bestonden uit het naar buiten gaan en wandelen. Vele kilometers wandelen, of naar het (Kruininger) Gors om daar bijvoorbeeld “diefje met verlos” te spelen. ’s Middags keerden we terug voor een warme maaltijd en verzamelde ons in de “Serre”. Daarna waren we verplicht van 13:00, voor zover ik mij kan herinneren, tot 14:30 te slapen. In de namiddag was het wederom verzamelen in de serre, welke een aanbouw van de eetzaal was, om daarna nog een broodmaaltijd te nuttigen. Wanneer er precies gedoucht werd kan ik me niet meer herinneren, (vast niet iedere dag) wel dat we, uiteraard piemeltje naakt, gewapend met alleen een handdoek, in een lange rij stonden te wachten in een erg grote doucheruimte om gewassen te worden door een van onze juffen. ’s Avonds was het verzamelen op de slaapzalen, het allemaal naar de WC gaan, de stinkende kamferspiritus die op je schenen werd gesmeerd (God mag weten waarom), het verhaal wat vaak werd voorgelezen door onze juf en daarna slapen.

 Het regime was zeer strak. 40-45 strak, als je begrijpt wat ik bedoel, en zeer zeker niet geschikt voor ieder kind. Vrijheid en rechten hadden we niet, alleen plichten. Zolang je maar exact deed wat het regime eiste, dan was alles goed. Het uit de toon vallen hierbij werd niet getolereerd en met straffen beloond. Aan de ene kant is het logisch dat je een overmacht op een groep moet hebben om deze te kunnen beheersen, maar deze groep bestond uit kinderen die al veel te veel hadden meegemaakt dan goed voor ze was en vaak al met trauma’s rondliepen. Angst regeerde in zekere mate denk ik, de angst voor represailles als je uit de toon viel. Lijfstraffen waren totaal ondenkbaar, dus er werden andere middelen aangewend om pressie op de kinderen uit te oefenen, welke uiteenliepen van op de gang staan of op de houten trap moeten zitten naast de slaapzaal, tot doodgezwegen worden door de hele groep voor minstens een week! (dit is mij persoonlijk 2 maal overkomen) Als je dit als kind van 9 jaar voorgeschoteld krijgt, dan geloof me, doet je dat geen goed. Men zorgde ervoor dat je uiteindelijk gezond als een vis, wel doorvoed en met een conditie van een paard naar huis ging, maar bij het geestelijke welzijn van de kinderen werd nagenoeg niet stilgestaan. Pas later in het jaar dat ik daar zat werd er een pedagoge aangetrokken welke haar intrekken nam in het ziekenhuisje?. Ik en mijn vriendje Simon Koorn moesten altijd lachen als ze het terrein op kwam rijden in haar Daf 44 want ze was zo klein dat ze nauwelijks boven het dashboard uit kwam. Het was een Indische vrouw waar we heel erg veel baat bij hadden. Ze had haar psychologiediploma duidelijk niet bij een pakkie boter gekregen en wist waar ze het over had. Ze heeft ons van héél wat straffen kunnen redden door de directrice ervan te overtuigen dat dit allemaal bij het kind zijn en opgroeien hoorde. Een geweldige vrouw, van wie tot mijn spijt de naam even niet te binnen wil schieten.

 Het is verbazend wat ik me nog allemaal herinner van die tijd. Zoals het eten. Nou ja, “eten”. De zusters kunnen dan pochen dat de nieuwe kok (in mijn tijd daar begonnen) welke “oom Aad” genoemd moest worden, weliswaar lekker kon koken maar daar hadden wij als kinderen geen donder aan. Wij zaten IEDERE dag aan het rundvlees, welke ze gemakshalve en om een voor ons volledig duistere reden maar door de gehaktmolen hadden geperst. Kun je het je voorstellen? Gortdroge korrels met ietwat ijzerachtige vleessmaak. Iedere vrijdag was het werkelijk afzien. Eveneens gortdroge vissnippers (kan het niet anders noemen) met worteltjes die in suiker waren gekookt en met een ranzig botersausje over de aardappelen. Bijna iedereen trachtte dit kokhalzend naar binnen te werken, want laten staan was er niet bij, dan had je de poppen aan het dansen. En denk maar niet dat er iets anders op het menu werd gezet, de directrice was namelijk God. En overigens de duivel voor haar personeel want heb een keer een lijdster huilend uit de directricekamer zien komen omdat ze werkelijk onvermurwbaar was. Het ging het om een vrije dag.

 Mevrouw van Hout, de andere van het “setje” welke de scepter zwaaide binnen “Ons Genoegen” was werkelijk een tegenpool. Ze wist feilloos wie er even een hart onder de riem gestoken moest worden, en dan kwam ze achter me staan, meestal tijdens de warme maaltijd en kreeg je de gevreesde schoudermassage. Het deed zeer, maar je had individuele aandacht, iets bijna ondenkbaars binnen dit tehuis, en was dan gewoon jaloers als ze eens een ander masseerde. Ze leek werkelijk even met je lot begaan te zijn. Ik heb ook nooit begrepen waarom twee zulk verschillende karakters, zo onafscheidelijk waren. Inmiddels denk ik dat deze twee dames in het geheim een “relatie” hadden. De directrice kwam touwens uit de provincie Zeeland herinner ik mij nog, en had de fysiek en het knuffelgehalte van een bulldozertje. Ze had een messcherpe kleine wipneus overigens. Maar goed, even nog over het eten. De “zusters” aten goed van oom Aad’s kookkunsten, maar kan me niet herinneren dat wij ooit ECHT lekker aten. (op de sporadisch geserveerde kersenyoghurt na dan) Herinner mij dat we rodekool kregen welke zo van het land kwam (waarschijnlijk uit onze eigen moestuin) waar je regelmatig meegekookte oorwurmen en torren in vond. En nee, dit is geen grapje. Ik persoonlijk kan mij 3 verschillende rodekoolmaaltijden herinneren waarbij ik uit de eerste een grote platgedrukte tor viste en uit de laatste 2 een Oorwurm. En als je dacht dat jij je eten dan mocht laten staan of een ander bord kreeg, dan had je het mis, want je moest het beest op de rand van je bord leggen en doorvreten tot de laatste hap kokhalzend naar binnen was gegaan. Kan me ook nog herinneren dat ik voor straf van tafel was gestuurd naar de serre, (waar we ook onze brieven naar huis schreven overigens) en daar moest zitten kijken hoe de anderen wél aten. Na afloop werd me ingefluisterd, weet helaas niet meer door wie, om bij de kok “oom Aad” maar een maaltijd te bietsen. Nou dat deed ik, en kreeg toen een maaltijd welke voor de zusters bestemd was. Ik had nog nooit zo lekker gegeten daar, wat een immens verschil was dat zeg. Over het eten kan ik me nog herinneren dat als je het mes niet hanteerde, men de linker hand naast het bord MOEST leggen. Ik herinner me de servetten en dat alleen de leidsters een zilveren servetring hadden. En herinner me nog de haren in de vork van mijn vriendje Simon die op dat moment een boterham met suiker naar binnen zat te werken, welke altijd tegenover me zat met het eten, omdat hij waarschijnlijk het kleinood tevens als hoofdkrabber gebruikte. Ik zei het nog tegen hem, maar hij had zoiets van: “ow zal wel”. Simon en ik hadden elkaar echt gevonden. Waar hij ging, ging ik, en vice versa. Simon woonde op de Oostergauw 2 in Venhuizen, schuin tegenover de garage van Mastebroek, waar ’s morgens de vrachtauto’s voor de deur stonden te ronken. Ik heb me dat toen ingeprent omdat ik absoluut van plan was hem op te zoeken zodra ik daar “vrijgelaten” zou worden. Wat ik ook heb gedaan. Hij ging compleet door het lint toen hij me weer zag. Simon zat daar (nu ik het achteraf bekijk) omdat hij mogelijk een vorm van ADD had waarmee zijn toch best wel oude ouders niet zo goed overweg konden en hij liet zich ook te gemakkelijk ondersneeuwen door anderen. Hij verslond boeken van Arendsoog en Tex Willer. We speelden ook bijna altijd cowboytje in het Gors, of we renden over de boulevard naar het strand van Rocanje gezeten in een dikke Ferrari of Lamborgini. (mochten we willen) Hij was in ieder geval helemaal knettergek van zijn zus, hij had het altijd over haar, en om me te pesten wreef hij me altijd in dat het zo’n lekker ding was.

 Op een gegeven moment is er in “Ons Genoegen” een man gekomen, welke we meneer Guis noemden. Hij had gewerkt met crimineeltjes welke werkelijk niet spoorde (zal je de verhalen besparen) en was aangenomen om sommige kinderen een beetje “harder” te maken. En je raad het al, Simon was daar een van. Het was een beer van een vent, had schoenmaat 50 en volgens mij kon hij echt een potje breken bij de directrice. Met Simon ging hij dan apart voetballen op het veldje, op de Guis manier, maar ik mocht nooit mee. Ik voelde de bui al hangen en wilde dat toch wel eens aanschouwen, maar weinig kans.

 Het tehuis had op een gegeven moment ook iemand aangetrokken die met de kinderen in het bos, voorbij het hiervoor genoemde veldje, hutten ging bouwen. Nou mijn vader was timmerman, dus er was al snel een dialoog tussen ons. Ik mocht de man best graag, en na enige dagen van hutten bouwen, en het praten over van alles en nog wat, stelde ik hem een op dat moment niet echt vreemde vraag, namelijk iets over seks, en hoe dat nou was? De man van wie ik helaas de naam ben vergeten, maar in het dorp woonde met vrouw en kinderen, werd erg emotioneel en bracht met moeite uit dat seks iets ergs moois was tussen 2 personen. Ik snapte best dat je bij iemand een gevoelige snaar kon raken, en had enigszins meelij met hem, waardoor ik een inschattingsfout maakte waarvan ik tot op de dag van vandaag nog spijt heb, namelijk deze: “ik vertelde dit aan mijn juf”. Ik hoopte dat een volwassene met hem kon gaan praten en hem zou helpen. Binnen de kortste keren werd het huttenbouwproject afgeblazen en de man op staande voet ontslagen. Als we tijdens een wandeling door het dorp langs zijn huis gingen werden de kinderen bedreigd door de leidster voor het geval ze in de richting van het huis wilde kijken, laat staan zwaaien. Dus ik heb er toen een halszaak van gemaakt om op iedere dag dat we langs zijn huis kwamen uitgebreid naar hem te zwaaien, waarna hij enthousiast en zichtbaar dankbaar terug zwaaide. (dan maar straf) Dit geval was tekenend voor het in dat tehuis heersende regime, de kortzichtige en vanuit een psychologisch perspectief geziene onredelijke opgelegde tucht, gold niet alleen voor de kinderen, maar ook waren daar de volwassenen in en rond “Ons Genoegen” daar het slachtoffer van. Een arm om iemand heen werd uit angst voor het onbekende niet geslagen. Zelfs voor die tijd was dit kortzichtig en absoluut onnodig.

 Zoals ook in andere verslagen te lezen is, hadden we 4 groepen. Twee daarvan waren de “grote jongens” en de “grote meisjes”. Deze twee groepen werden strikt gescheiden gehouden, en dan bedoel ik ook STRIKT! Geen enkel contact was mogelijk. Mijn verbazing was dan ook zeer groot, toen op een dag, nadat ik ziek was verklaard door de leiding omdat ik (voor mij was het een muggenbult) had lopen krabben en er een rood streepje op mijn arm zichtbaar was vanaf dit bultje, en dat wel eens op bloedvergiftiging kon duiden, een meisje naast mijn bed stond. Ze had iets heel liefs en brutaals en ik was gelijk verkocht. Ze is na die tijd nog een aantal keren bij me geweest, totdat ik hoorde dat ze naar huis ging. Tja..., maar gelukkig weet ik nog haar naam, ze heette Lotje duJardin.

 Namen... Er zijn namen waarbij ik kippenvel krijg, zoals Juf Kooi, of Bekooi. Als ik haar zou moeten omschrijven kom ik steeds terug bij een woord, en dat is “secreet”. Sorry, maar ik heb er werkelijk geen ander woord voor. Iemand die me ooit in de gang tijdens het tandenpoetsen midden in mijn gezicht spuugde. Niet dat ik van plan was me klein te laten krijgen, daarvoor had ik thuis al te veel meegemaakt. Een klein blond tonnetje met een brilletje en een bitter en venijnig karakter.

 Maar gelukkig waren er ook namen welke ieders hartje sneller deden kloppen, zoals Juf de Boer. Mooi lang blond haar, lekker snoetje en een ongekende sexy overbite. Als bleek dat we haar als juf kregen of dat ze tussen de middag tijdens de verplichte slaappauze de wacht had, dan steeg er een enthousiast geroezemoes uit onze zaal waarbij de naam “de Boer” om de twee seconden viel. Ze was lief en we “kropen” werkelijk voor haar.

 Iemand die we natuurlijk ook erg waardeerde en mochten was onze eigen groepsleidster “Steegie” oftewel Juf Versteeg. Ze was best flink gebouwd en je moest geen ruzie met haar krijgen. Ze was rechtvaardig en een prettig iemand om bij te zijn. Laat ik het zo zeggen: als zij bij ons was, dan waren we van HAAR en niet van “Ons Genoegen”. Onze rots in de branding. Ik kan me nog herinneren dat ze dagen lang had voorgelezen uit een boek over IJsland en opeens schoot ze in de lach, en zei: “o jongens, die Gletsjers, dat waren Geisers”. Iedereen lag dubbel want we snapte soms geen fluit van het verhaal. Maar ook zij was ondergeschikt aan de directrice, en kon maar zoveel doen. Er schiet me nu nog iemand te binnen, ze was ook een Zeeuwse en was een goede vriendin van Steegie, maar haar naam is me ontschoten. Volgens mij heb ik haar ooit in klederdracht gezien, maar dat is te vaag.

 Op een gegeven moment werd ik gestraft voor iets wat ik tot op heden nog steeds als misselijkmakend ervaar en dat is omdat ik mezelf ontdekte. Iedere normale jongen krijgt daar mee te maken en natuurlijk was ik weer de enige sukkel die gesnapt werd door een juf van de “grote meisjes” die ’s middags tijdens de verplichte rust de wacht had en het nodig vond me voor de groep te vernederen en de dekens van mijn bed weg te trekken. Nou moet ik zeggen dat we wel iets gewend waren van elkaar en dat dit alleen maar op de lachspieren werkte van een enkeling die zich niet meer slapend wist te houden, maar toch. Het gore lef hebben om zoiets te doen bij een kind van 9, in de hoop hem in het diepste van zijn ziel te raken en te vernederen en er vervolgens nog werk van te maken ook. Ik heb toen ongelogen een half jaar lang alleen op een grote lege slaapzaal moeten slapen, en dank God op mijn blote knieën dat ik niet bang was om alleen te zijn, want anders hadden ze me werkelijk weg kunnen dragen tijdens de februaristorm van 1972. Het houten gebouw kraakte in zijn voegen en het maanlicht wierp wild bewegende schaduwen naar binnen van de grote boom die naast ons tehuis stond, waarvan ik werkelijk hoopte dat hij het nog even vol zou houden.

 De post was het hoogtepunt. De meeste kregen dan een brief of een kaart van thuis. Mijn moeder, die rond liep met een schuldgevoel van hier tot gunter, schreef me iedere dag wel een kaart, en eens in de week een brief met een tekening die ze had gemaakt van Donald Duck of zo. Maar ik kreeg niet iedere dag een kaart. Ik kreeg er net iets meer dan een ander. Toen ik EINDELIJK weg mocht, kreeg ik een zak met kaarten mee, welke de lading volgens mij nog steeds niet dekte, met kaarten die achtergehouden waren, en brieven die niet door de beugel konden volgens hare Godheid de directrice had ze maar weggegooid. De reden die werd opgegeven was dat het niet leuk zou zijn voor andere kinderen, omdat die niet zovaak post kregen. Ook ben ik er achter gekomen dat de post gecensureerd werd door de directrice.

 De kinderen daar in mijn tijd waren een gemêleerd gezelschap. Veel wisten we niet van elkaar, want er werd (anders dan tussen Simon en mij) niet over thuis gepraat. Van Jaap wisten we het wel. (twijfel inmiddels over de naam) Hij had geen thuis meer. Beide ouders waren overleden en toen hij een pleeggezin kreeg, heeft hij het er erg moeilijk mee gehad om uit “Ons Genoegen” weg te gaan. Er werd gezegd dat hij niet meer weg wilde, wat eigenlijk niemand werkelijk geloofde, want wie wilde daar in Godsnaam nou blijven. Dan hadden we Maarten. Maarten was lang en erg mager. Had zware Astma en geregeld aanvallen waar we allemaal van schrokken. Hij was daar duidelijk om aan te sterken en de “gezonde” Botlek-lucht van de petroleumhavens te inhaleren. We hadden ook twee Jehova Getuigen. Ze waren broertjes, hadden peentjesrood haar, maar leken totaal niet op elkaar. De een heette Richard en was bijna extremistisch Jehova Getuige en de ander heette geloof ik Barry, een beetje dikke jongen en vele malen gemoedelijker dan zijn broer. Tijdens de Kerst van 1970 hield Richard tijdens het zingen van de kerstliedjes halsstarrig zijn vingers in zijn oren, wat niet goed viel bij de leiding. Ook kan ik me nog herinneren dat de twee op een gegeven moment slaande ruzie kregen om een voor ons duistere reden, maar Richard werd even door broerlief zijn bed ingeslagen. Hier zaten wij totaal niet mee aangezien Richard geen gewoon kind was en behoorlijk ongenaakbaar. Verder hadden we nog een Hagenees ettertje met de bijnaam “badkuip” (kuiper) welk ik nog wel eens tegen zou willen komen in een donker steegje. En dan hadden we het neefje van de voetballer Sjaak Zwart. Dankzij dit feit mochten we een interlandwedstrijd kijken op televisie. En Theo, welke bijna onder de boom lag (hebben we niet uit laten lekken) welke op dat moment gekapt werd door de tuinman. (volgens mij was meneer Guis bij ons op dat moment) Hij liep waar hij niet mocht komen en toen kwam de boom. Hij rende voor wat hij waard was, maar struikelde en redde zich met een meesterlijke koprol waardoor hij gelijk weer doorrende. (en was dus bijna voorgoed van zijn stotterprobleem af) Ik heb er velen de revue zien passeren (teveel om op te noemen) omdat ik een van de langste blijvers ben geweest. Ik heb daar een heel jaar door moeten brengen. Een jongen uit Winterswijk kan ik me nog herinneren. De eerste dag dat hij bij ons was zaten we aan de eettafel en at zijn bord niet leeg. De juf maakte daar een opmerking over en hij zei in het achterhoeks: “Neh, ben zat!”. Hij kwam er in ieder geval mee weg, en wij lagen dubbel. Dan kwam later nog een jongen uit de achterhoek, die woonde vlak bij Winterswijk geloof ik (en dus gelijk de dikste vriendjes werd met de eerder genoemde achterhoeker) genaamd Peter. Peter was ouder dan iedereen die ik daar gezien had en dus ook groter, naar ik meen was hij 14. Hij had een volle krullenkop en was wel oke. Ik kan me nog een van de grote meisjes herinneren welke om een rechtere rug te krijgen iedere avond over de gang moest paraderen met een bezemsteel achter haar rug.

 En als ik er nu op terug kijk, is er dan iets goeds van gekomen? Ik geef het niet graag toe, maar JA. Als eerste heeft de directrice ervoor gezorgd dat ik toegewezen werd aan mijn moeder. Op een gegeven moment stond ze voor me in de serre geloof ik en vroeg me aan wie ik toegewezen wilde worden. Nu wilde het feit dat voor Simon en mij alleen maar auto’s bestonden. En mijn vader had net een Ford Capri gekocht. Ik gaf dan ook heel snel aan dat ik wel bij mijn vader wilde. GODDANK, doorzag zij dit meteen en maakte er korte metten mee zodat het antwoord (waarschijnlijk opgevraagd door de kantonrechter) was dat ik bij mijn moeder wilde wonen. (Hoe oliedom kan een kind zijn)

En als tweede heb ik er aan overgehouden om van niemand meer iets te pikken. De eerste dag dat ik thuis was, had ik er al 3 te pakken die me in mijn “vorige” leven zo hadden gesard. De vierde, Freekie, kon harder lopen dan ik en heb ik nooit te pakken gekregen.

 Ik heb heel wat ervaringen hier gelezen, en kan me voorstellen dat het voor sommige kinderen werkelijk een traumatische ervaring moet zijn geweest. Er zijn dingen gebeurd welke absoluut niet door de pedagogische beugel konden, maar waren toen simpelweg niet strafbaar. Ik ben nu 45 jaar, en “Ons Genoegen” was maar een van de vele hobbels die mijn levensweg tot nu toe heeft gekend. Ik heb een hoop dingen kunnen relativeren en was echt wel blij met Steegie, en m’n enige vriendje Simon, maar besef ook dat ik gewoon thuis had moeten zijn, om ’s avonds voor het eten binnen geroepen te worden. Ik heb het geen trauma laten worden, maar ben er wel achter gekomen dat ik de ervaring “Ons Genoegen” tot vóór dit schrijven nooit echt verwerkt heb. Aan de ene kant voel ik me diep bedroefd dat dit me overkomen is, aan de andere kant zou ik willen dat Steegie nu voor me stond om haar een enorme knuffel te geven.

 

Frederik Nieuwenburg (Frits)

Koog aan de Zaan

http://www.mrsoso.nl

ls iemand is die verhalen heeft over de Koloniehuizen in Oostvoorne dan kunt u die zenden aan:

info@oostvoorne.org